• " "Uw goedertierenheid, HEERE! zij over ons" " Psalm 33 : 22a

Meditatie

Hanna, een aanwezige moeder

 

En die man Elkana toog op met zijn ganse huis, om den HEERE te offeren het jaarlijkse offer en zijn gelofte. Doch Hanna toog niet op, maar zij zeide tot haar man: Als de jongen gespeend is, dan zal ik hem brengen, dat hij voor het aangezicht des HEEREN verschijne en blijve daar tot in eeuwigheid.

1 Samuël 1:21-22

 

Hanna is verblijd met de geboorte van een zoon. Ja, zo wordt het wel opgeschreven op een geboortekaartje. En natuurlijk is er blijdschap. Maar als een onvruchtbare vrouw een kind krijgt, dan is er nog wel even wat meer blijdschap. Ze heeft immers de pijn ervaren van de kinderloosheid. Ze heeft verlangd, gesmacht, gehunkerd naar een kindje. Een verlangen waarvan ze niet wist of het ooit vervuld zou worden. Dit gold allemaal voor Hanna. En dan ook nog de pesterijen van Peninna, die tweede vrouw van haar man Elkana, die het niet kon hebben dat Elkana Hanna uit liefde een extra stukje vlees gaf. Op den duur was Hanna ten einde raad.

 

En radeloos had ze de toevlucht genomen tot haar God. Die God, Die zo vaak en zo graag helpt in nood. Dat is gebleken! Want namens God mocht Eli haar vertellen: ‘de God van Israël zal je gebed verhoren!’ Hanna heeft dat woord gelooft. En wie het gelooft, die heeft het. Ze raakte zwanger en ontving hem uit de hand van de Heere: Samuël. Een jochie, van de Heere gebeden. Een jochie dat de Naam van zijn Schepper draagt: ‘Zijn naam is God’, zo luidt de betekenis van zijn naam. Wat moet het heerlijk voor Hanna geweest zijn om dat kleine lijfje tegen zich aan te drukken! Om hem te verschonen, om tegen hem te kletsen en hem te voeden. Eindelijk!

 

Ze zegt dan ook tegen haar man Elkana, die weer naar het jaarlijkse feest voor de HEERE in Silo gaat om offers te brengen: ‘Elkana, ik ga niet mee. Als de jongen geen borstvoeding meer krijgt, dan zal zal ik hem in Silo brengen. Dan zal Hij voor Gods aangezicht verschijnen en daar tot in eeuwigheid blijven. Maar nu nog niet.’ En dan moeten we weten dat de moeders in Israël in die tijd hun kind tot ongeveer driejarige leeftijd borstvoeding gaven. Zolang wil Hanna bij Samuël blijven, samen thuis.

 

‘Maar Hanna, daar krijg je ook wel je bekomst van, hoor’, zegt u misschien. ‘Aan het begin, net na de bevalling, ja, dan moet je aansterken en dan is het fijn, zo rustig thuis. Maar daarna… Weet je het zeker dat je geen betaalde baan zoekt? Weet je het zeker dat je niet meegaat naar Silo? Jij houdt er toch ook van om naar dat feest te gaan.’ Ach nee, u dacht het waarschijnlijk niet eens, omdat de werelden van Hanna en van ons zo mijlenver uit elkaar liggen. Maar dan zou ik toch een brug willen leggen.

 

Hanna is een godvrezende moeder. Als u dat ook bent, is er een diepe overeenkomst. Godvrezende moeders ervaren het als een belangrijke taak om hun kinderen op te voeden in de dingen van de Heere. Om hen te laten ontdekken dat ze zondaren zijn en dat ze de Heere Jezus nodig hebben. Om hen te laten vluchten tot Christus. Om hen te laten leven voor God. En godvrezende moeders weten heel goed dat ze dat niet zelf aan hun kind kunnen geven, maar dat dat het werk van Gods Geest is. Tegelijk beseffen ze dat Gods Geest middellijk werkt. En dat maakt hun taak zo verantwoordelijk. Ze zijn ervan doordrongen dat ze hun kind beïnvloeden. Dat is zelfs al vóór de geboorte het geval! Maar zeker ook in de eerste levensjaren. Wat een verschil of een baby wordt grootgebracht met het permanente geluid van de TV op de achtergrond of met psalmgezang. Wat een verschil of mama bij haar kind bekendstaat als een

vrouw die in de Bijbel leest of dat haar kind weet: daar heeft mama geen interesse in. En ga zo maar door!

 

Nu, als u dat besef van uw verantwoordelijkheid als moeder met Hanna deelt, en als u net als Hanna verlangt om uw kind voor God op te voeden, zodat hij/zij voor Hem zal leven, dan overstijgt dat de culturele verschillen. Dan kunnen we ons eerlijk afvragen of we niet wat van Hanna kunnen leren. Want als we nu weten dat een kind zo beïnvloedbaar is en beseffen dat de vorming in zijn eerste levensjaren ontzettend belangrijk is, waarom brengen we onze kinderen dan zo vaak en zo gemakkelijk weg? Waarom zouden ze dan zoveel dagen in de week naar oma’s, tantes en de kinderopvang gebracht worden? ‘Omdat ik het anders niet volhoud’, zegt iemand. ‘Zonder mijn baan gaat het niet goed met me.’ Inderdaad, zo kunt u dat ervaren. En dat komt ook weer door onze maatschappij, waar je de arbeidsmarkt op wordt gejaagd. Waar je nauwelijks meetelt als je vertelt: ‘Ik ben moeder, ik heb verder geen baan want hier heb ik mijn handen vol aan!’ Misschien herkent u het, een latent gevoel van schaamte.

 

Maar dan wijs ik u op Hanna, en schrijf ik met overtuiging: schaamt u zich niet! Het is een geweldig voorrecht om je kind voor de Heere op te mogen voeden, zoals Hanna. Een superbelangrijke taak! Laat u niet aanpraten dat u niet belangrijk bent, want de moeders in Israël maken het verschil. Door Gods genade. Kijk maar naar Samuël. De Heere heeft het gebed en het onderwijs van moeder Hanna en van zijn godvrezende vader Elkana rijk gezegend. Samuël diende, zo jong als hij was, de Heere en klaagde niet toen hij in Silo werd gebracht. De Heere werkte in zijn hart en zegende de opvoeding. Ja, Hij werkt. Ook anno 2021.

 

Ds. T.A. Bakker, Nieuwe-Tonge

  • © hersteld hervormde kerk 2021