• " "Uw goedertierenheid, HEERE! zij over ons" " Psalm 33 : 22a

Meditatie

Een krachtig gebed…

O Heere, hoor, o Heere, vergeef, o Heere, merk op en doe het, vertrek het niet; om Uws Zelfs wil, o mijn God; want Uw stad en Uw volk is naar Uw Naam genoemd.

Daniël 9:19

Wat zit er een kracht in dit gebed. Je voelt het geweldige besef van urgentie. Daniël zegt niet alleen dat hij verhoring en vergeving nodig heeft, maar hij beleeft het ook zo! Dat zijn twee verschillende dingen. Wat kun je verdrietig zijn als je dat zo weinig merkt bij jezelf. Je weet dat bidden belangrijk is, maar stelt het telkens uit. Je wilt de nood van de kerk aan de Heere voorleggen, maar zit alweer met je gedachten bij je werk…

Hoe is Daniël er toch toe gekomen om zo te bidden? Allereerst: door Gods Woord te lezen. Hij las daar in Babel de profetieën van Jeremia (Daniël 9:2). En die brachten in het hart van deze knecht van God zoveel in beweging! Want daar las hij dat God Zijn volk na 70 jaar terug zou brengen (Jeremia 25:11-12 en Jeremia 29:10-12). En was die periode niet bijna om? Deze heerlijke beloften van God brachten hem op de knieën. Ze maakten Daniël niet lui, maar hoogst actief! Hij wist wat hem te doen stond: hij ging naar de belovende God om te smeken om de vervulling van Zijn heerlijk Woord.

Maar er is meer. Daniël bad dit vurige gebed omdat de nood van het volk Israël hem ter harte ging. Hij zat al lang en breed daar in Babel, laten we dat niet vergeten. Het was niet vreemd geweest als Gods stad, tempel en volk slechts vage herinneringen voor hem waren, als Israël en Israëls God hem niet meer zo bezig konden houden. Er was immers van alles voor in de plaats gekomen. Maar middenin die Babylonische cultuur was daar in het hart van Daniël een klacht. Een bange klacht over de geweldige nood van het volk van God, verdrukt en verdreven. En die klacht ging gepaard met een belijdenis: ‘Het is rechtvaardig, Heere. We hebben onszelf Uw toorn op de hals gehaald. Wij hebben gezondigd.’ Daar was ook een hunkering. Een hunkering naar herstel van Gods tempel, Gods stad, Gods volk. Wat een geweldige betrokkenheid heeft Daniël op Gods volk!

En nu, nu Daniël vanuit Jeremia hoop krijgt op terugkeer uit de ballingschap, nu breken de dijken van zijn hart. Nu werpt hij zich neer voor Gods aangezicht, en smeekt en roept en kermt. En zijn indringende gebed mondt uit in vers 19: “O Heere, hoor, o Heere, vergeef, o Heere, merk op en doe het, vertrek het niet”! Dat klinkt wat rechthebbend, vindt u niet? Je kunt God toch geen bevelen geven? Hij moet luisteren, vergeven, acht slaan op Zijn volk en Hij mag Zijn hulp niet langer uitstellen… Ach welnee, we luisteren verkeerd. Daniël heeft eerder in zijn gebed klip en klaar verwoord dat het volk alle rechten heeft verspeeld. Maar als er nood is, dan ga je als vanzelf over op de gebiedende wijs: ‘Help me!’ Als je iets ziet van de puinhopen van ons kerkelijk leven, als je er iets van beseft hoe we God tekort hebben gedaan, dan ga je toch over op de gebiedende wijs? Dan ga je toch roepen? Roepen om vergeving, om herstel, zonder uitstel!

Tja, en dan de Heere maar vrijlaten… Hij mag het weten of Hij uit het gruis van ons kerkelijk leven nog eens een mooi gebouw maakt. Is dat Daniëls houding? Laat hij God vrij? Kijk nog eens goed naar vers 19. Na zijn smekingen in de eerste helft van het vers gaat hij in de tweede helft pleiten. Hij pleit op Gods Wezen: “om Uws Zelfs wil, o mijn God”! Hij pleit op Gods verbond: ‘Jeruzalem is toch Uw stad? Israël is toch Uw volk? Wij dragen toch Uw Naam? U hoort toch bij ons, en wij bij U?!’ O, wat een geweldige overtuigingskracht heeft dit gebed. Als

je hier beneden niets meer ziet om op te pleiten, maar alleen daarboven, als je steunt op Wie God is, JHWH, de Verbondsgod, dan klinkt dat als muziek in de oren van de Allerhoogste. Ja, want zo heeft Hij Zichzelf geopenbaard! Hij wil zo graag dat we pleiten op Zijn Naam en Zijn verbond. Hij ziet het zo graag dat we onze zaak tot Zijn zaak maken. O, zulke pleiters zal God verhoren, om Jezus’ wil, in Wie Gods verbond is vastgemaakt. Want Daniël is nog bezig met ‘vers 19’ als de engel Gabriël al bij hem komt en namens God Daniël vertroost. Laten we te midden van de puinhopen van ons kerkelijk leven de binnenkamer opzoeken en het gebed van Daniël op onze lippen nemen. De Heere zal ons horen, niet om ons, o nee! maar omdat wij Zijn Naam dragen.

Ds. T.A. Bakker, Nieuwe-Tonge

 

  • © hersteld hervormde kerk 2020